De Grand Soleil 43 ‘Quokka Racing’ verloor midden in de nacht het roer in de Golf van Biskaje. De bemanning weigerde hulp en bouwde zelf een ingenieus noodroer van kajuitdeuren en onderdelen van het interieur. Na bijna vijf dagen bereikten ze veilig de Franse kust.
Het Britse zeilmagazine Practical Boat Owner (PBO) publiceerde het opmerkelijke relaas van de Trustmarque Quokka, een Grand Soleil 43 onder leiding van eigenaar en voormalig Commodore van de Royal Ocean Racing Club (RORC) Peter Rutter. Met drie ervaren bemanningsleden, Graham Moody, Malcolm McEwen en Scott Dawson, vertrok het zeiljacht vanuit de River Hamble richting Malta voor de Middle Sea Race, met als einddoel de ARC naar St. Lucia.
Het schip was uitgerust voor oceaanzeilen met een MCA-certificaat, voldoende water en voedsel, een watermaker en een volle dieseltank met 70 liter reserve aan boord. Toch sloeg het noodlot toe op 200 mijl van de Franse kust, toen het roer brak tijdens het surfen op een golf met 11 knopen snelheid en windstoten tot 40 knopen.

Mayday in de nacht
Scott Dawson, die aan het roer stond toen het gebeurde, beschrijft het moment: het stuurwiel had plotseling geen weerstand meer en hij voelde iets tegen de onderkant van de romp slaan. Onze boot draaide onmiddellijk in de wind. Malcolm McEwen zond een Mayday uit op kanaal 16, die werd beantwoord door het vrachtschip Tinsdal op acht mijl afstand.
Na inspectie bleek de romp intact en maakte onze boot nauwelijks water. De bemanning besloot aan boord te blijven en degradeerde de Mayday tot een pan-pan. De Franse kustwacht CROSS Etel nam het contact over en belde elke twee uur voor een positie- en conditierapport. De eerste nacht dreven ze zijwaarts op golven van drie tot vier meter, terwijl ze elke twee uur twintig minuten moesten pompen.
De volgende ochtend was het moreel op een dieptepunt. Een bergingsmaatschappij had 20.000 euro geoffreerd, maar met elk uur dreef het schip dichter naar de kust. Het grote gevaar lag echter nog voor hen: de continentale plaat, waar de diepte plotseling van 4.500 naar 150 meter gaat, met potentieel gevaarlijke brekende golven als gevolg.
Roerontwerp met twee kajuitdeuren en vang als helmstok

Die nacht begon Graham Moody, voormalig jachtontwerper en -bouwer, te schetsen. De volgende ochtend presenteerde hij zijn plan: een roer gebouwd van twee kajuitdeuren met de vang als helmstok. De bemanning ging direct aan de slag met het verzamelen van materialen uit het hele schip.
Het bouwen vergeleek Scott Dawson met het in elkaar zetten van een IKEA keukenkast op een springkussen terwijl de plaatselijke scouts erop springen. Twee kajuitdeuren werden aan weerszijden van de vang bevestigd, met de houten bodems van de kooien aan de onderkant voor extra diepgang. Het onderwateroppervlak bedroeg uiteindelijk 750 bij 600 millimeter.
Omdat er onvoldoende bouten aan boord waren, werd meer dan de helft van de constructie met lijnen samengebonden. Malcolm McEwen’s vaardigheid met lijnen bewees hier zijn waarde. In totaal gebruikte de bemanning twee deuren, drie kooibodems, vijf bouten, zeven grote zelftappers en ongeveer 200 meter lijn.

In vijf dagen naar veiligheid
Na een nacht wachten op kalmer weer kon de bemanning het noodroer installeren. Het werd met een val via de achterstag omhoog gehesen en voorzichtig in het water gelaten, waarbij de cockpit-lieren de houten constructie naar beneden trokken tegen de opdrijvende kracht in. Tot ieders opluchting werkte het: met de motor op stationair konden ze koers houden.
Met het stormfokje erbij maakte Quokka vijf tot zes knopen. Het varen vergde maximale concentratie: elke dertig minuten wisselde de roerganger, terwijl een tweede bemanningslid continu het noodroer in de gaten hield. Surfen recht voor de wind werkte het beste om de constructie te ontzien, maar maakte het schip gevoelig voor opdraaien.
Bij het bereiken van de continentale plaat ’s nachts besloot de bemanning te stoppen en te wachten op daglicht. Met de wind nog steeds rond de 20 knopen staken ze bij zonsopgang over. Bij Belle-Île gekomen draaiden ze noordwaarts naar La Trinité-sur-Mer. Vierenhalf dag na de roerbreuk meerden ze af, geheel op eigen kracht.

Lessen voor elke zeiler
Graham Moody benadrukt dat een noodhelm systeem nutteloos is zonder roer. De bemanning adviseert om vooraf na te denken over hoe je je boot kunt sturen met een noodroer. Een eenvoudig systeem zou een vervangend roer door de bestaande cassette kunnen zijn, hoewel in dit geval de afgebroken roerkoning nog in de cassette zat.
Andere leerpunten: ga altijd op zee met voldoende voedsel, water en brandstof, want je weet nooit hoe lang je alleen bent. Gereedschap en reserveonderdelen kunnen je boot redden, een elektrische boor bleek onmisbaar. En je kunt nooit genoeg dunne en sterke lijnen aan boord hebben.
De satelliettelefoon viel uit doordat de provider de dienst opschortte wegens hoog gebruik, precies op het moment dat de bemanning contact nodig had. De kustwachten van Falmouth en Etel stuurden meerdere malen een vliegtuig om de positie te controleren en onderhielden het contact, waarvoor de bemanning hen uitdrukkelijk bedankt.
Scott Dawson vat de ervaring samen: tijdens de hele beproeving bleef de bemanning kalm, er viel geen onvertogen woord, en ze namen de tijd om een werkende oplossing te bedenken.
De grootste les die hij leerde: hoe moeilijk de situatie ook wordt, er is altijd een uitweg.
